Van de redactie

Alweer biedt dit Jaarboek u een bonte afwisseling aan artikelen. Maar ze hebben één ding gemeen. Ze belichten telkens iets van de identiteit van Den Haag: als regeringsplaats, hofstad of stad aan zee.

 

Ten eerste de vraag of Den Haag nu een stad was of een dorp. Hoe keken buitenlanders daar tegen aan? Thomas von der Dunk vlooide ruim 170 reisverslagen door. En ja, de bezoekers zeiden het elkaar na: dat Den Haag geen stadsmuren had, maar wel paleizen, en daarmee het mooiste dorp van Europa was. Het deftige uiterlijk hing natuurlijk samen met de rol die het dorp tijdens de Republiek vervulde als regeringsplaats en stadhouderlijke residentie. Drie artikelen kleuren dit nader in.

 

Frank de Hoog beschrijft hoe de schutterij in de 17de en 18de eeuw elk jaar op 31 april een meiboom plantte. Typisch Haags, want elders was die Oud-Germaanse traditie verdwenen. Hier diende ze als eerbetoon aan Oranje en de hier zetelende bestuursorganen.

 

Den Haag telde relatief veel gegoede inwoners, zodat portretschilders er ruim emplooi konden vinden. Jim van der Meer Mohr analyseert de klantenkring van een van hen, de 18de-eeuwer Harmanus Serin. Het mooiste was wel een vaste voet aan het stadhouderlijk hof. Frederique Westerhoff-König beschrijft de activiteiten van haar voorvader Willem König als hofjuwelier.

 

Na 1815 werd Den Haag opnieuw hof- en regeringsstad – met relatief veel drukkerijen en een groeiende afstand tussen zand en veen. Herman Voorhoeve kwam hier in 1876 vanuit Rotterdam en trof een voedingsbodem voor een door hem gepropageerde, op het Reveil geïnspireerde geloofsrichting, met als instrument een eigen uitgeverij. David Voorhoeve beschrijft drie generaties van het actieve uitgeversgeslacht en vertelt hoe het accent verschoof van blijde boodschap naar monumentenzorg.

 

Den Haag is behalve regeringsplaats ook een stad aan zee. Het 200-jarig bestaan van de badplaats eren we met twee bijdragen: Paul Crefcoeur besteedt aandacht aan de baddokters. En terecht, want het medische aspect bleef lang onderbelicht: de badplaats werd vooral een toeristische trekpleister. Daarom kwam Scheveningen snel in beeld toen men in 1902 een internationale verkoopexpositie organiseerde voor de Boeren in Zuid-Afrika. Een spectaculair festijn met liefst 4.254 kunstwerken. Fred Bergman beschrijft het in detail.

 

Den Haag werd met zijn badplaats ook graag door Rotterdammers bezocht. Misschien vluchtten er daarom zoveel naar de Residentie na het bombardement in 1940. Richard Kleinegris en Just de Leeuwe vertellen over de opvang van de vluchtelingen. Natuurlijk was Den Haag ook de dichtstbijzijnde grote stad – een sterk groeiende plaats die intussen worstelde met een aldoor verstopt wegennet. Roemrucht was de trage aanleg van de Verlengde Landscheidingsweg. Arjen van der Burg gaat de gang van zaken nog eens na.

 

Kortom, dit jaarboek werpt nieuw licht op de identiteit van onze stad. terwijl het, met de gebruikelijke rubrieken, de ware Hagofiel weer een onschatbaar naslagwerk biedt.