Een Koninklijk Treinstation

 

Leven zonder treinen: wie kan het zich nog voorstellen? Toch heeft het tot bijna halverwege de 19de eeuw geduurd voordat de stoomtrein in Nederland ging rijden. Voor die tijd legde je afstanden lopend af, vaak over zandpaden, of je ging met de trekschuit rustig varend naar de volgende stad. Juist door die goede trekschuitverbindingen zagen velen niet in waarom spoorlijnen nodig zouden zijn in Nederland. Koos Havelaar, de auteur van dit boek over een van de Haagse stations, geeft een goed beeld van de situatie in Nederland, toen vooruitziende ingenieurs plannen maakten voor de eerste spoorlijn van Amsterdam via Haarlem naar Rotterdam. In 1839 stoomde de trein van de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij (HIJSM) van Amsterdam naar Haarlem. In 1843 werd de lijn doorgetrokken naar Den Haag. Daar was ook een station gebouwd op de kruising Trekvliet en Delftseweg (nu Rijswijkseweg) op oorspronkelijk Rijswijks grondgebied. Omdat zo’n belangrijk station toch echt in een stad moest liggen, was de grond overgedaan aan Den Haag, tegen de somma van 400 gulden. Nog steeds wordt dit bedrag, nu 181,51 euro, jaarlijks op 4 december overgemaakt aan de gemeente Rijswijk. Het station was een neo-classicistisch gebouw zoals op andere plaatsen langs de lijn: met een zuilengalerij, portico’s en fronton, alles in strenge symmetrie.

Den Haag maakte een snelle economische ontwikkeling door in die periode en vooral rond het station was dat goed te zien. Daar vestigden zich IJzergieterij L.I. Enthoven en Co, Smederij Sterkman en andere ambachtelijke en industriële bedrijven. De gemeente had het gebied oorspronkelijk bedoeld voor de huisvesting van welgestelden met fraaie huizen zoals rond het Oranjeplein. Maar de bedrijvigheid trok vooral ambachtslieden en arbeiders, voor wie volkswoningbouw ontstond in dit gebied.

Al gauw bleek het stationsgebouw te klein voor de dagelijkse stroom passagiers en daarom werden plannen gemaakt voor een nieuw station, dat als een ‘kathedraal van de nieuwe technologie’ het symbool werd van het moderne industriële tijdperk. De bouw werd in twee fasen uitgevoerd: men begon in 1887 met de verhoogde perroneilanden met overkappingen, restauratie en dienstruimten. Drie jaar later startte men met de sloop van het oude gebouw en de bouw van het nieuwe in Hollandse neorenaissancestijl ontworpen station. De architect hiervan was D.A.N. Margadant, die als zoon van een Haagse bouwkundig opzichter was opgeklommen tot spoorwegarchitect van de HIJSM. Naarstig archiefonderzoek door de auteur leverde de vondst op van drie prachtige ontwerptekeningen van de voorgevel, die op groot formaat in het boek zijn opgenomen. Kenmerkend voor het gebouw zijn de zeer gedetailleerde versieringen en het gebruik van symbolen. Veel ambachtelijke deskundigheid uit de omgeving werd ingezet bij de uitvoering. Tegeltableaus bijvoorbeeld kwamen van de Haagse Plateelfabriek Rozenburg. Met name aan de Koninklijke Wachtkamer werd veel aandacht gegeven. Die moest immers wedijveren met de Koninklijke Wachtkamer van het concurrerende station Staatsspoor (nu Centraal Station).

In 1907 kreeg het stationsgebouw een uitbreiding vanwege de nieuwe lijn Rotterdam–Den Haag met een aftakking naar Scheveningen, die de HIJSM wist weg te kapen van het Staatspoor. Deze ‘Hofpleinlijn’ was de eerste geëlektrificeerde spoorweg in Nederland en lange tijd ook de duurste in aanleg. In 1952 werd besloten de aftakking naar Scheveningen te sluiten en in 1975 werd het Centraal Station het eindpunt van de Hofpleinlijn die inmiddels is omgedoopt tot metrolijn E van Randstadrail.

De representatieve functie van Hollands Spoor komt duidelijk naar voren in het hoofdstuk over de ontvangsten van staatshoofden en filmhelden, in een periode waarin de trein het nog won van het vliegtuig, en het publiek nog in grote getale kwam kijken. Een donkere bladzijde is de brand van 15 oktober 1989, waarbij een groot deel van de perronoverkapping verloren ging. Verontruste Hagenaars konden gelukkig worden gerustgesteld: men besloot tot algehele restauratie. Het laatste hoofdstuk laat zien hoe de omgeving rond het Hollands Spoor verandert en hoe het station zijn functie en waardigheid heeft behouden door de jaren heen.

Het boek is prachtig vormgegeven. Gedetailleerde tekeningen van rijtuigen, plattegronden, bouwtekeningen van onderdelen en oude prenten geven met de tekst een goed beeld van de geschiedenis van het spoor in onze stad.

 

Koos Havelaar, Hollands Spoor. Een Koninklijk Treinstation. Kathedraal van de techniek,

Den Haag 2017 (Eindeloos ontwerpen en uitgeven), pp. 172, ISBN 978-90-78824-04-6, prijs € 35,00

 

Irene van Geest