Hoger die drempel!

 

Geschiedenis is niet alleen maar lang geleden, maar ook het verhaal van een periode die nog maar kort achter ons ligt. Waar we nog veel herinneringen aan hebben. Waar we de namen nog van kennen en waarvan we de beelden nog direct kunnen oproepen. Bij velen zal dat het geval zijn bij de naam Albert Vogel, de voordrachtskunstenaar die als een van de eersten een galerie (ofwel galerij) begon in het zo stijve Den Haag van de jaren zestig. Die met zijn gevoel voor publiciteit telkens weer de kolommen van de dagbladen wist te halen en felle discussies opriep over de nieuwe tendensen in de kunst. In het boek ‘Hoger die drempel’ beschrijft Caroline de Westenholz de decade waarin OREZ, de galerij van haar stiefvader, de ZERO-beweging presenteerde en oog had voor andere vormen van de toenmalige avant-garde.

De galerij dankt haar bestaan aan de wens van een rijke Haagse dame, mevrouw Will den Haring Meller, die ‘iets leuks’ wilde doen met haar geld. Op advies van Leo Verboon werd dat een galerie: een tentoonstellingsruimte en kunsthandel. Het begon op de benedenverdieping van het pand Javastraat 17, waar het 19de-eeuwse interieur volledig werd gemoderniseerd: witte muren, strakke vormgeving. Geheel afwijkend van het interieur dat het huidige Couperus museum nu laat zien.

 

Het boek is een bijna volledig overzicht geworden van alle tentoonstellingen, de daarbij horende ontwikkelingen en beschrijvingen van de belangrijkste kunstenaars. Met de uitspraak ‘Hoger die drempel’ verzetten de beide galeriehouders, Vogel en Verboon, zich tegen de toen heersende opvatting om kunst toch vooral naar ‘het volk’ te brengen. Volgens hen was kunst, en zeker kunst van hoge kwaliteit, voor fijnproevers. Daarom kon je bij deze elitaire galerij niet zo maar binnen lopen, maar moest je aanbellen om binnen gelaten te worden. Toen ze op een gegeven moment erotische kunst brachten, was dat laatste een voorwaarde van de zedenpolitie.

In het boek wordt nog eens duidelijk gemaakt hoe de verbindingen waren tussen de verschillende nul- en zero-bewegingen in diverse landen in Europa en in Japan. Kunstenaars als Yves Klein en Gunther Uecker experimenteerden met reductie van kleur en vorm in monochrome onderwerploze schilderijen. Henk Peters, kunstenaar, docent en groot stimulator van de Zero-beweging maakte met watten, haren, kunstgras en andere kunstvreemde voorwerpen uit het alledaagse zijn presentaties. Een opvallend geesteskind van hem was Zero at Sea: het plan om rond de Pier in Scheveningen allerlei installaties in te richten. Ingenieuze ideeën die nu nog tot de verbeelding spreken, maar jammer genoeg niet gerealiseerd konden worden wegens geldgebrek.

Een bijzonder succesrijke kunstenaar, ook voor de galerij, was Jan Schoonhoven, die met zijn reliëfachtige monochromen in 1967 de eerste prijs won op de Biënnale van Sao Paulo en daarmee wereldbekend werd. Aardig is het om te lezen dat deze brave ambtenaar-kunstenaar er geen been in zag om zich naakt uit te kleden voor de Japanse Kusama, die hem daarop met polkadots beschilderde.

De uitgebreide beschrijving van al die elkaar opvolgende tentoonstellingen worden gelukkig geïllustreerd met afbeeldingen van aansprekende kunstwerken en foto’s van openingen in de galerij. Samen met de citaten uit brieven en krantenartikelen rijst een beeld op van een galerij die in het statige Den Haag van die tijd, enigszins provocerend de nieuwe kunstontwikkelingen bracht.

 

Caroline de Westenholz, Hoger die Drempel! Een geschiedenis van Internationale Galerij OREZ 1960-1971 (Nederlandse/Engelse tekst), Hilversum 2016 (Uitgeverij Lias), 240 pp., ISBN 978 90 8803 082 6, prijs € 24,95

 

Irene van Geest